Blogboek: _ ?

Maart 2021. Op donderdagavond – vaste prik – zit hij om 8 uur klaar. Klaar voor een potje meditatie met z’n online kameraden. Ieders in eigen kamer; ieders in eigen geest. Hij is net op tijd ingelogd want hij heeft zich niet gehaast. Wanneer hij thuiskomt schrikt hij van de tijd en zet de computer klaar met zijn jas nog aan. Het is weer kijken als vanouds. Kijken, kijken en opnieuw: kijken. Hij kijkt hoe hij luistert. Hij kijkt naar de lucht, die langs zijn neusvleugels naar binnen waait. Hij kijkt en kijkt opnieuw naar de lucht die in en uit zijn buik stroomt, en kijkt naar de witte waas die dichter voor z’n ogen lijkt te schijnen.

Het lijkt alsof hij naar achter kijkt; achter z’n ogen naar binnen kijkt, en ziet daar: een grote witte vlakte. Een tintelend veld van springende en rondzingende diertjes die zijn lichaam bewonen; zijn lichaam zijn. Er krioelen beestjes in zijn kaken, beestjes in zijn buik.

Er is hier weinig op te merken, behalve beestjes. En de namen die door hem heen schieten. Namen van voedsel, slaapplekken, van paren en verzamelen. Wanneer de storm van namen liggen gaat, de verlangens langzaam verzachten en de angsten zachtjes verstillen, ontstaat een ritme en ruimte om langer stil te staan. Bij éen diertje.

De walvis, bijvoorbeeld. Hoe groot een walvis en hoe ruw zijn buik en noest zijn pels en zwaar in het water hij voortgaat door éen keer met zijn vin te flapperen en nóg een keer waardoor hij als een reus door het water deint.

Of de mens, bijvoorbeeld. In zijn persoon gekooid, in dit lijf getooid, in deze geest verstrooid. Uit hoeveel stukken tracht hij zich bijeen te rapen? Hoe zorgvuldig snakt hij naar zichzelf? Zichzelf als heel te voelen, als éen stuk leven; zacht en vredig in deze kamer. Terwijl de wereld aan hem voorbij raast en hij zich terugtrekt in zichzelf om voor even zichzelf voor eeuwig te vergeten en op te gaan, nee, af te dalen in een diepere, tragere, vollere laag van zien en zijn – zo kijkt hij smachtend naar de uil.